Tentamens en Examens

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op tentamens en examens in het algemeen. Specifieke aspecten daarvan en een nadere uitwerking per opleiding zijn te vinden in de digitale studiegids, die te raadplegen zijn op internet; daarin is ook de tekst opgenomen van de OER  van de desbetreffende opleiding.

5.1 Examencommissie en examinatoren

Ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en coördinatie van de tentamens heeft het faculteitsbestuur voor elke opleiding of groep van opleidingen van haar faculteit een examencommissie ingesteld. Het faculteitsbestuur draagt ervoor zorg dat binnen de examencommissie deskundigheid op de volgende gebieden is vertegenwoordigd: inhoudelijke kennis van de opleiding, kennis van toetsing, kennis van kwaliteitsborging en juridische kennis met betrekking tot de OER, het examenreglement en relevante WHW-bepalingen. Ten minste één lid is als docent verbonden aan de opleiding of een van de opleidingen die tot de groep van de opleidingen behoort. Medewerkers met management- of financiële verantwoordelijkheid mogen geen zitting hebben in een examencommissie. 

De examencommissie wijst voor het afnemen van de tentamens examinatoren aan. Als zodanig kunnen ook deskundigen van buiten de instelling worden benoemd. De examencommissie stelt regels en richtlijnen vast voor de goede gang van zaken tijdens de tentamens en examens en daarmee verband houdende maatregelen. Deze regels en richtlijnen zijn opgenomen in het zogenoemde Reglement van de Examencommissie. Daarin komen ook aan de orde de aanmelding voor tentamens en examens en fraude bij tentamens met de daarbij behorende strafmaatregelen. In geval van fraude kan de examencommissie bepalen dat de student gedurende ten hoogste één jaar niet mag deelnemen aan een of meer aan te wijzen tentamens of examens. Bij ernstige fraude kan het faculteitsbestuur besluiten, op voorstel van de examencommissie, om de inschrijving van de betrokken student definitief te beëindigen. De examencommissie geeft aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen/examen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen/examen.

5.2 Afleggen tentamens en examens

Aan elke onderwijseenheid is een tentamen verbonden. Een tentamen is een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de  student of extraneus betreffende een bepaalde onderwijseenheid, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek. Tentamens kunnen op verschillende wijze worden afgelegd: mondeling, schriftelijk of op een andere wijze. Op welke wijze een bepaald tentamen moet worden afgelegd is te vinden in de OER. In de OER moet ook worden vermeld op welke wijze de student van de vragen en opdrachten in het kader van een schriftelijk tentamen en van de beoordelingsnormen kennis kan nemen. Ook de beoordelingsnormen van een praktische oefening dienen bij aanvang daarvan bekend te zijn gemaakt.

Voor studenten die deelnemen aan de bacheloropleiding volgens het Bachelor College bestaat in het eerste jaar van de opleiding een tentamen uit minimaal twee tussentoetsen en een eindtoets. Voor het tweede en derde jaar vervalt met ingang van 1 september 2016 de verplichting dat een tentamen uit minimaal één tussentoets en een eindtoets dient te bestaan. Het onderwijs dient echter wel zo ingericht te zijn dat studenten

  • gedurende de onderwijseenheid inzicht krijgen in en feedback ontvangen over hun voortgang, 
  • tijdens de onderwijseenheid inzicht krijgen in de eisen die aan hen worden gesteld op de eindtoets (m.a.w. er is een goede voorbereiding op de eindtoets), en 
  • worden gestimuleerd een actieve bijdrage te leveren tijdens het onderwijs. 

De beoordeling van een tentamen wordt uitgedrukt in een eindcijfer. In de OER wordt aangegeven welk deel van het eindcijfer voor een onderwijseenheid maximaal wordt bepaald door het cijfer voor de eindtoets. In een bijlage van de OER wordt ook voor elke onderwijseenheid aangegeven welke tussentoetsen er zijn. Tussentoetsen en eindtoetsen kunnen op verschillende wijze worden afgelegd: mondeling, schriftelijk of op een andere wijze. Op welke wijze een bepaalde eindtoets moet worden afgelegd is te vinden in de OER. In de OER moet ook worden vermeld op welke wijze de student van de vragen en opdrachten in het kader van een schriftelijke eindtoets en van de beoordelingsnormen kennis kan nemen. Ook de beoordelingsnormen van een praktische oefening dienen bij aanvang daarvan bekend te zijn gemaakt. De wijze waarop een bepaalde tussentoets moet worden afgelegd en de beoordelingsnormen zijn te vinden in de studeerwijzer van de betreffende onderwijseenheid. In deze studeerwijzer is ook opgenomen hoe het cijfer van de tussentoetsen en het cijfer van de eindtoets meewegen in het eindcijfer voor de onderwijseenheid.

Voor de basisonderwijseenheid Professionele Vaardigheden is er geen eindtoets. Een professionele vaardigheidstoets wordt beoordeeld als tussentoets van de onderwijseenheid waarin deze vaardigheid is opgenomen. De student heeft de basisonderwijseenheid Professionele Vaardigheden behaald  wanneer hij alle vaardigheidstoetsen (en daarmee dus alle vaardigheidslijnen) met een voldoende heeft afgerond. In de OER is vastgelegd hoeveel vaardigheidstoetsen er in totaal zijn, hoe de beoordeling van een vaardigheidstoets wordt vastgelegd, en hoe de beoordeling van een bepaalde vaardigheidstoets meeweegt in het eindcijfer voor de onderwijseenheid waar de vaardigheid deel van uit maakt.

De examencommissie bepaalt de uitslag van het examen door vast te stellen of alle tentamens die tot een bepaalde opleiding (of een bepaalde fase daarvan) behoren met succes zijn afgelegd dan wel, voor zover dat niet het geval is, in voldoende mate zijn gecompenseerd op grond van de OER van de opleiding (zie daarvoor het Reglement van de Examencommissie van de examencommissie). Is dat het geval dan is het examen van de totale opleiding of dat van een fase daarvan behaald, tenzij de examencommissie bepaalt dat er nog een door haar zelf te houden onderzoek aan het examen verbonden is (b.v. een referaat dat in het openbaar verdedigd moet worden).

In de OER moet worden vastgelegd welke examens de opleiding kent.

Bij de TU/e zijn er, zoals uiteengezet in hoofdstuk 2, in het studiejaar  2015-2016 bacheloropleidingen, masteropleidingen en de eenjarige post initiële lerarenopleidingen.

Voor de bacheloropleidingen geldt dat zij een propedeutische fase van één jaar hebben, die wordt afgesloten met een propedeutisch certificaat en een postpropedeutische fase van twee jaar, die wordt afgerond met een afsluitend examen. De masteropleidingen kennen één examen, het afsluitend examen.

Nadere informatie over de inhoud van het propedeutische fase en afsluitend examen van een bacheloropleiding is te vinden in de desbetreffende digitale studiegids (studiegids.tue.nl).  

Tot het afleggen van de tentamens en examens zijn alleen diegenen bevoegd die voldoen aan de toelatingseisen voor de desbetreffende opleiding en die aan de instelling staan ingeschreven als student of extraneus. 

Een student kan ook zelf uit onderwijseenheden een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden, het zogenaamde vrije onderwijsprogramma. Indien de examencommissie haar goedkeuring hieraan verleent, geeft zij tevens aan tot welke opleiding het programma behoort. 

5.2.1.Quarantaineregeling

Verschillende faculteiten hebben een zogenaamde ‘quarantaine regeling’. Dit betekent dat studenten onder bepaalde voorwaarden in de gelegenheid worden gesteld om eindtoetsen/tentamens die tegelijkertijd zijn ingeroosterd na elkaar te kunnen afleggen. Deze regeling is opgenomen in het Reglement van de Examencommissie. Voor meer informatie kan de student zich wenden tot de studieadviseur van de opleiding.

5.2.2.Regeling Centrale Tentamenafname 2015

Tot 1 september 2014 waren de examencommissie verantwoordelijk voor de praktische organisatie van tentamens en examens. Aangezien de taak van de examencommissie met ingang van 1 september 2010 is verstrekt en zij een meer borgerende taak hebben gekregen is met ingang van 1 september 2014 het instellingsbestuur vernatwoordelijk voor deze taak. Om die redden is de Regeling Centrale Tentamenafname 2015 opgesteld. In deze regeling is opgenomen wat onder andere de taken zijn van de examinatoren/materiedeskundigen en surveillanten tijdens de afname van tentamens. Het presentatiekaartje is aangepast. In het kader van deze regeling, maar zeker ook vanwege het fraudebeleid binnen de TU/e zijn afspraken gemaakt over het tioletgebruik tijdens tentamens en bij welke 'overtreding' aangenomen wordt dat er sprake is van fraude. Denk hierbij aan het hebben van de telefoon in de broekzak in plaats van in de tas.

Wet- en Regelgeving:

  • Regeling Centrale Tentamenafname 2015, vastgesteld door het CvB op 4 december 2014, inclusief bijlage

5.2.3. Toetsbeleid TU/e

Het toetskader TU/e heft voor de instelling als doel het kunnen verantwoorden van de wijze van toetsing en het bevorderen, bewaken en borgen van de kwaliteit van toetsing. Per faculteit is op basis van het instellingsbrede toetskader een toetsbeleid opgesteld met hetzelfde doel maar dan op faculteitsniveau. Voor studenten is het relevant om over de rolverdeling van kwaliteitszorg rond toetsing het een en ander te weten.

Deze zorg is ingedeeld in tweeën. Aan de ene kant belooft het opleidingsbestuur toetskwaliteit te leveren op een manier die staat beschreven in het toetsbeleid: zorgen voor toetskwaliteit. Aan de andere kant is er voor elke opleiding een examencommissie aangewezen die onder andere belast is met de taak proactief toe te zien op de naleving van de gemaakte afspraken; borgen van toetskwaliteit.

Voor het nastreven van een bepaalde toetskwaliteit heeft de instelling o.a. een visie op toetsing opgesteld, ondersteuning en deskundigheidsbevordering ingericht en regelgeving opgesteld. Voor het kunnen borgen van de toetskwaliteit heeft de instelling o.a. een handreiking opgesteld voor de samenstelling en werkzaamheden van de examencommissies zodat deze zo onafhankelijk mogelijk kunnen functioneren.

Wet- en regelgeving;

  • Toetskader TU/e (voorheen Contourennota TU/e toetsenbeleid, vastgesteld door het CvB op 24 juni 2013, herziene versie vastgesteld door het CvB op 23 oktober 2014)

5.2.4. Fraudebeleid

'Onder fraude bij onder andere toetsing, bij aanvragen voor vrijstellingen en aanvragen van examens wordt in ieder geval verstaan ieder handelen of nalaten door of vanwege een student, waardoor het vormen van een juist oordeel van diens kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk voor de examinator onmogelijk wordt gemaakt en/of het opzettelijk beïnvloeden van (onderdelen van) het examenproces met als doel het resultaat van examens te beïnvloeden.'

Tijdens de studie moet het studenten duidelijk zijn dat fraude niet past bij een wetenschappelijke opleiding, niet makkelijk is, de pakkans in geval van fraude groot is en dat fraude nauwelijks voorkomt. Het College van Bestuur heeft daarom opdracht gegeven tot het bundelen en verder ontwikkelen van TU/e breed Fraudebeleid Onderwijs. Plagiaat is een specifiek soort fraude en de bestrijding daarvan valt derhalve binnen het Fraudebeleid TU/e Onderwijs. Ook het niet in acht nemen ban auteursrechtelijke regels (vorm van plagiaat) zoals vermeld in Hoofdstuk 8, wordt aangemerkt als fraude. Het fraudebeleid is gesplitst in vier elementen te weten

  1. Informeren: De grenzen van het toelaatbare worden door de instelling helder gecommuniceerd naar de student.
  2. Voorkomen: Situaties die fraude in de hand werken, worden door de instelling en door de student voorkomen.
  3. Detecteren: De instelling zal toezien op een fraudevrij verloop van toetsen.
  4. Sancties opleggen: In geval van fraude zullen door de examencommissies sancties aan overtredende studenten worden opgelegd die passend zijn in het kader van de vorm van fraude en in het licht van het geschade vertrouwen.

Het fraudebeleid beschrijft de acties die de instelling per element neemt om vanuit bovenstaande vier elementen te striven naar een integere studieomgeving.

Wet- en Regelgeving:

  • Fraudebeleid TU/e Onderwijs (vastgesteld door het CvB op 5 maart 2015, aangevuld met hoofdstuk 7 op 9 april 2015) model Examenreglement 2017-2018.

5.3 Onderwijs- en examenregeling (OER)

De OER is te beschouwen als een reglement dat het faculteitsbestuur, na voorafgaande instemming van de universiteitsraad (UR) en de faculteitsraad (FR) (over het hieronder genoemde punt a. t/m g heeft de FR echter geen instemmingsrecht), voor elke opleiding of groep van opleidingen van haar faculteit moet vaststellen. Met opleiding wordt hier bedoeld:

  • een bacheloropleiding of een masteropleiding. 
  • De wet schrijft voor dat er een aantal zaken, voornamelijk voor de rechtszekerheid van de student, tenminste in de OER moet worden opgenomen: 
  • de inhoud van de opleiding en van de daaraan verbonden examens;
  • de inhoud van de afstudeerrichtingen binnen een opleiding;
  • de kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die een student zich bij beëindiging van de opleiding moet hebben verworven;
  • waar nodig de inrichting van praktische oefeningen;
  • de studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deeluitmakende onderwijseenheden;
  • indien de opleiding een bindend studieadvies kent of verwijzing in de postpropedeutische fase, de nadere regeling daarvan;
  • aan welke masteropleidingen door de instelling  een hogere studielast dan 42 studiepunten oude stijl ofwel 60 SP is toegekend;
  • het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden;
  • de voltijdse, deeltijdse of duale inrichting van de opleiding;
  • waar nodig, de volgorde waarin, de tijdvakken waar¬binnen en het aantal malen per studiejaar dat de gelegenheid moet worden geboden tentamens en examens af te leggen;
  • waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheid te verlengen; 
  • of de tentamens mondeling of schriftelijk of op een andere wijze moeten worden afgelegd, waarbij de examencommissie de bevoegdheid heeft die geldigheidsduur te verlengen;
  • de wijze waarop lichamelijk of zintuiglijk gehandicapte studenten redelijkerwijs in de gelegenheid worden gesteld tentamens af te leggen;
  • de openbaarheid van mondelinge tentamens, waarbij de examencommissie in bijzondere gevallen anders kan bepalen;
  • de termijn waarbinnen de uitslag van tentamens bekend gemaakt moet worden en ook of en hoe van deze termijn kan worden afgeweken;
  • hoe en wanneer de student die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage kan krijgen in zijn beoordeelde werk;
  • binnen welke termijn en hoe de student inzage kan krijgen in de vragen van zijn schriftelijk afgelegd tentamen en de daarbij gehanteerde beoordelingsnormen;
  • op grond van welke elders in het hoger onderwijs succesvol afgelegde tentamens en op grond van welke kennis of vaardigheden die buiten het hoger onderwijs zijn verworven, door de examencommissie vrijstelling van tentamens gegeven kan worden;
  • waar nodig, dat het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor toelating tot het afleggen van andere tentamens;
  • indien er praktische oefeningen zijn, moet worden bepaald of de studenten verplicht zijn daaraan deel te nemen om bepaalde tentamens te kunnen afleggen; daarbij behoudt de examencommissie het recht om vrijstelling van de praktische oefeningen te geven of vervangende eisen op te leggen;
  • de bewaking van studievoortgang en individuele studiebegeleiding.

In de OER zijn ook de eisen opgenomen die gesteld worden voor het colloquium doctum en bij het aanvullend onderzoek op grond waarvan vrijstelling kan worden verkregen van de vakkenpakketeisen. 

Op grond van de WHW moet met het oog op de doorstroming van personen die een bacheloropleiding hebben voltooid, in de OER voor elke bacheloropleiding of –als zich dat voordoet voor een afstudeerrichting binnen een bacheloropleiding- tenminste één masteropleiding worden aangegeven die aansluit op die bacheloropleiding (of afstudeerrichting binnen die bacheloropleiding). Dit is een zogenaamde doorstroommaster. Deze verplichting is met ingang van 1 september 2014 vervallen.

In de OER van de aansluitende masteropleidingen moet ook worden opgenomen welke toelatingseisen tot de desbetreffende masteropleiding gelden als de betrokken student wel de voorafgaande bacheloropleiding volgt maar deze nog niet helemaal heeft afgerond, en welke eisen gelden voor degene die de voorafgaande bacheloropleiding niet volgt of gevolgd heeft maar via een bewijs van toelating in aanmerking wil komen voor inschrijving voor de masteropleiding. Zie m.b.t. het toelatingsbewijs ook paragraaf 2.5. 

Met ingang van 1 september 2012 dient iedere student (dus ook de (HBO)-schakelstudent) eerst zijn bacheloropleiding hebben behaald, alvorens te kunnen worden toegelaten tot een masteropleiding. 

Wanneer een bachelor- of masteropleiding voor de eerste keer wordt verzorgd, dient de OER uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar te zijn vastgesteld. Voordat het faculteitsbestuur na voorafgaande instemming van de FR (op bepaalde onderdelen van) de OER vaststelt, brengt de opleidingscommissie advies uit over de vaststelling of wijziging van de OER. Voor elke opleiding is er een opleidingscommissie; deze bestaat voor de helft uit voor die opleiding ingeschreven studenten en voor de helft uit personeel.

Het faculteitsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de OER; ook houdt het faculteitsbestuur toezicht op de uitvoering van de OER. De opleidingscommissie beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van de OER. Binnen de TU/e is het gebruik van de model OER’en voor de bachelor- en masteropleidingen in grote lijnen als richtlijn door het CvB voorgeschreven. Die delen van de OER, die als richtlijn worden voorgeschreven, worden ter instemming aan de UR voorgelegd. Dit betekent dat deze regels voor alle opleidingen gelijk luidend zijn. Op studiegids.tue.nl zijn de modellen OER te vinden. 

5.4 Getuigschriften en verklaringen

De uitslagen van tentamens worden via e-mail aan de studenten meegedeeld. Als extra service aan de studenten bestaat ook de mogelijkheid om via internet met behulp van een persoonlijke toegangscode de eigen tentamenresultaten op te vragen. De uitslagen kunnen ook bekend worden gemaakt via de officiële mededelingenborden. Zij die slagen voor een examen ontvangen als bewijs hiervan een getuigschrift. De student dient zich ter verkrijging van een getuigschrift aan te melden voor een examencommissievergadering via het systeem dat door de TU/e wordt gebruikt. De examencommissie zal dit verzoek zo snel mogelijk behandelen.

Het getuigschrift van de universitaire lerarenopleiding bevat daarnaast nog de bekwaamheids-eisen waaraan betrokkene heeft voldaan. 

De getuigschriften van het afsluitend examen van de bachelor- en  masteropleiding moeten de volgende gegevens ten minste vermelden:

  • de naam van de instelling en welke opleiding (zoals vermeld in het CROHO) het betreft;
  • welke onderdelen het examen omvatte;
  • in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden (bijvoorbeeld onderwijsbevoegdheid);
  • welke graad is verleend (zie hierover meer in paragraaf 5.6);
  • op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd. 

De getuigschriften worden op dit moment tweetalig (Nederlands- en Engelstalig) opgesteld en uitgereikt. Daarnaast wordt er bij het getuigschriften van de examens die verbonden zijn aan de bacheloropleiding en aan de masteropleiding een supplement toegevoegd. Het supplement heeft tot doel inzicht te verschaffen in de aard en inhoud van de afgeronde opleiding, mede met het oog op internationale herkenbaarheid van opleidingen. Het supplement bevat in elk geval de volgende gegevens:

  1. de naam van de opleiding en de instelling die de opleiding verzorgt;
  2. of het een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs dan wel een opleiding in het   hoger beroepsonderwijs betreft;
  3. een beschrijving van de inhoud van de opleiding, én
  4. de studielast van de opleiding.

Het supplement van de TU/e wordt opgesteld in het Engels. Op het supplement behorende bij het getuigschrift van de bacheloropleiding is ook vermeld dat de student de basisonderwijseenheid professionele vaardigheden heeft gevolgd en behaald.

Degene die minstens twee tentamens heeft behaald, maar niet het examen, waarvan die tentamens deel uitmaken, ontvangt op zijn verzoek een verklaring van de examencommissie die in elk geval inhoudt welke tentamens behaald zijn.

5.5 Bi-diplomering

5.5.1 Bi-diplomering interne opleidingen 

Definities:

Opleiding: een geaccrediteerde opleiding met een eigen, zelfstandige CROHO-positie. 

Interne bi-diplomering bacheloropleidingen: de situatie waarin een student tegen een extra inspanning van ten hoogste 90 sp de graden en bijbehorende getuigschriften van meerdere bacheloropleidingen van de TU/e tracht te verkrijgen. 

Interne bi-diplomering masteropleidingen: de situatie waarin een student tegen een extra inspanning van ten hoogste 75 sp de graden en bijbehorende getuigschriften van meerdere masteropleidingen van de TU/e tracht te verkrijgen.

Bij interne bi-diplomering gaat het om situaties waarin een student tegen beperkte extra inspanningen diploma’s van meerdere verwante –deels overlappende bacheloropleidingen of masteropleidingen- van de TU/e wil verkrijgen. Dit betekent dat de student twee diploma’s ontvangt wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. De richtlijn bi-diplomering van het CvB van 15 juni 2017 kent een verzwaring in de eisen voor bi-diplomering voor zowel de Bachelor- als de Masteropleidingen TU/e. Het moment van invoering is derhalve gebonden aan de start van het studiejaar 2017-2018 en is slechts van toepassing op de vanaf dat studiejaar instromende studenten. 

Bacheloropleidingen

Om in aanmerking te komen voor interne bi-diplomering dient de student ten minste 45 SP aan vakken bovenop de reguliere studielast van een opleiding met succes af te ronden, teneinde te voldoen aan de eindtermen van beide opleidingen. Gevallen waarin de extra inspanning van de student de 90 SP te boven gaat, vallen niet onder het begrip interne bi-diplomering. Voor het behalen van twee bachelorgraden met bijbehorende getuigschriften in het kader van interne bi-diplomering geldt derhalve een totale studielast van tenminste 225 SP en ten hoogste 270 SP. Voor het behalen van meer dan twee bachelorgraden met bijbehorende getuigschriften (tri-diplomering) geldt dat de studielast dan ten opzichte van bi-diplomering verder wordt verhoogd met telkens opnieuw 45 -90 sp aan vakken per additionele bacheloropleiding. Er wordt dan opnieuw een extra afzonderlijk bachelor eindproject gedaan. 

Als er sprake is van één afsluitend bachelor eindproject moeten daarin de kernfacetten van beide betrokken opleidingen duidelijk herkenbaar zijn. Dit wordt getoetst door de betrokken examencommissies. Een dergelijk gezamenlijk bachelor eindproject heeft een omvang van 20 sp, waarvan 10 sp als onderdeel van de extra 45-90 sp studielast bij bi-diplomering.

Aanvragen voor interne bidiplomering en, indien van toepassing, één gezamenlijk bachelor eindproject, dienen vóór de start van het derde jaar van inschrijving van de student ingediend te worden bij de betrokken examencommissies. 

Masteropleidingen 

Om in aanmerking te komen voor interne bi-diplomering dient de student tenminste 45 sp aan vakken plus afstudeerproject/afsluitend project bovenop de reguliere studielast van een opleiding met succes af te ronden, teneinde te voldoen aan de eindtermen van beide opleidingen. Gevallen waarin de extra inspanning van de student de 75 sp te boven gaat, vallen niet onder het begrip interne bi-diplomering. Voor het behalen van twee mastergraden met bijbehorende getuigschriften in het kader van interne bi-diplomering geldt derhalve een totale studielast van tenminste 150  165 sp en ten hoogste 180  195 sp. Voor het behalen van meer dan twee mastergraden met bijbehorende getuigschriften (tri-diplomering) geldt dat de studielast dan ten opzichte van bi-diplomering verder wordt verhoogd met telkens opnieuw 30-60 sp aan vakken plus 15 sp voor het afstudeerproject/afsluitend project per additionele masteropleiding.

Als er sprake is van één afstudeerproject of afsluitend project moeten daarin de kernfacetten van beide betrokken opleidingen duidelijk herkenbaar zijn. Dit wordt getoetst door de betrokken examencommissies.

ls twee masteropleidingen samen tevoren een bi-diplomeringsprogramma hebben vastgelegd en gepubliceerd kunnen zij het minimum van 45 sp extra studielast verlagen tot 30 sp extra studielast. Deze afwijking is in ieder geval van toepassing op bi-diplomering met de educatieve master Science Education and Communication.

Aanvragen voor interne bi-diplomering en, indien van toepassing, één gezamenlijk afstudeerproject of afsluitend project, dienen vóór de start van het tweede jaar van inschrijving van de student ingediend te worden bij de betrokken examencommissies. 

Nadere informatie over bi-diplomering interne opleidingen

Wet- en Regelgeving: art. 9.5, 7.59, 9.33 WHW; Richtlijnen van het CvB van 24 april 2008 met betrekking tot interne bi-diplomering binnen de TU/e

5.5.2 Bi-diplomering op basis van afspraken met een buitenlandse instelling (double degree)

Bi-diplomering houdt in dat op basis van een samenwerkingsovereenkomst met een buitenlandse instelling van hoger onderwijs een deel van de opleiding bij die instelling kan worden gevolgd; op basis van de zowel bij de Nederlandse als bij de buitenlandse instelling behaalde resultaten heeft de student die de opleiding met goed gevolg afsluit, recht op twee diploma’s: het Nederlands getuigschrift en het buitenlands diploma. Informatie over de mogelijkheden van een double degree is te verkrijgen bij de studieadviseurs van de verschillende opleidingen. Informatie over deze speciale double degree masteropleidingen staat ook vermeld in de digitale studiegids, naast de reguliere masteropleidingen. Zie: https://studiegids.tue.nl/opleidingen/graduate-school/masters-programs/ 

5.6 Graden en titels

In de wet inzake de bachelor-masterstructuur is aan het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van een bacheloropleiding of van een masteropleiding verbonden dat de betrokkene daarmee een graad verwerft: de graad Bachelor respectievelijk de graad Master. 

Afhankelijk van het vakgebied waarin het afsluitend examen is afgelegd wordt daaraan toegevoegd “of Arts” dan wel “of Science”. Voor de TU/e bachelor- en masteropleidingen geldt dat daaraan de graad “Bachelor of Science” dan wel “Master of Science” verbonden is. Deze graad kan de afgestudeerde in zijn eigen naamsvermelding tot uitdrukking brengen. De graden worden afgekort tot BSc respectievelijk MSc en achter de naam geplaatst. Degene aan wie bij de TU/e de graad “Master of Science” verleend is, is tevens gerechtigd de titel ingenieur (afgekort tot ir., vóór de naam geplaatst) te voeren. Uitzondering hierop vormt de masteropleiding Science Education and Communication. Deze opleiding behoort tot het domein “onderwijs’ en geeft daarmee recht op de titel drs.

De betrokkene moet een keuze maken of hij in de eigen naamsvermelding de graad MSc of de titel ir. of drs. tot uitdrukking wil brengen, doch niet gelijktijdig.

Nadere informatie over tentamens en examens

Wet- en Regelgeving: art. 7.3, 7.3d, 7.8, 7.10 t/m 7.14, 7.20 WHW

Publicaties:

  • studiegids.tue.nl

Inlichtingen bij: